Saturday, 11 November 2017

Schemering

The 2017 Contest for 'Eindhoven's Schrijftalent' focussed on stories about light. My story about a man who gets totally frustrated about a street lamp got rewarded with a nomination. As it was a Dutch contest, the story is also in Dutch.



Dus nu is het altijd schemering, nooit meer nacht, denkt hij. Hij kijkt door zijn slaapkamerraam naar buiten. De straat is heel mooi geworden, wat weinig parkeerplaatsen, dat wel. De stoep valt tegen, deze is smaller geworden, waardoor de buurtbewoners onbedoeld elkaars huiskamers binnen kijken en de bakfietsen werkelijk niet meer op stoep kunnen staan. Hij had zo gehoopt dat met de nieuwe bestrating ook het lantaarnlicht zou worden aangepast. Hij haatte het vuile groenige licht dat ’s avonds de straten bescheen, ziekelijk, een sfeer scheppend die in een horrorfilm niet zou misstaan. Dat zou toch beter moeten kunnen in een stad die de lichtstad van Nederland genoemd wordt, de bakermat van de grote gloeilampenfabriek. Producten Hopeloos Iedere Lamp Is Praktisch Stuk grapten ze in zijn jeugd. Hij is een echt Philipskind van hoogopgeleide ouders, de techniek zit hem in het bloed. Zijn beide ouders hebben iets met research gedaan en het was niet meer dan logisch dat hij na zijn studie aan de Technische Universiteit op de High Tech Campus ging werken, research uiteraard. Mistroostig staart hij over de straat, in het felle licht van de nieuwe straatlantaarn.

Hij heeft een hekel aan veranderingen en is blij dat hij zijn hele leven in dezelfde stad heeft kunnen blijven wonen, alhoewel de stad zelf hard aan het veranderen is. Zelfs zijn eigen kleine buurtje, waar eerst de sociale huurwoningen verdwenen en vervangen werden door blokkendozen en nu zelfs de straat waar hij woont een grote opknapbeurt heeft gekregen. Gek van het lawaai werd hij, blij dat hij kon vluchten naar zijn vertrouwde werkplek op de High Tech Campus. Ook zijn werk is veranderd. Waar hij vroeger in alle rust kon werken, wordt hij nu gedwongen regelmatig vergaderingen bij te wonen, presentaties te geven en zelfs met anderen samen te werken. Anderen die totaal niet begrijpen waar hij mee bezig is, gewoon omdat ze de materie niet beheersen.

Daar wil hij nu niet over denken, hij wil slapen! Hij houdt van regelmaat en rust. Half 12 naar bed en half 8 weer op, iedere dag, ook in het weekend. Een wekker heeft hij niet nodig, hij wordt altijd vanzelf precies op tijd wakker. Zeventien dagen geleden werd hij bruut gewekt door herrie onder zijn slaapkamerraam, 7 uur ’s ochtends! De stratenmakers waren weer terug. Met veel kabaal werden enkele stoeptegels rondom de lantarenpaal gelicht. Zou het dan echt gebeuren? Zou hij eindelijk van het groenige licht verlost worden? Nou vooruit, daarvoor wilde hij wel een keertje eerder opstaan. Door zijn openstaande slaapkamerraam hoorde hij de buurman mopperen op de statemakers.
‘Jongens, jongens, kan het wat zachter, ik schrok me rot!’
‘Nou meneer, we hadden er nog aan gedacht bij u aan te bellen, maar we wilden u niet wakker maken.’

Alsof we niet wakker zouden worden van het lawaai, had hij gedacht, de sukkels. Hij was die ochtend iets eerder dan normaal naar zijn werk gegaan, wat hem verbaasde blikken van zijn collega’s had opgeleverd. Hij zei maar liever niets en trok zich terug op zijn werkplek. En ’s avonds stond het ding er, de gloednieuwe lantarenpaal. Wat was hij blij geweest, tot het avond werd. Het leek alsof er een schijnwerper op zijn huis gericht stond. Lange schaduwen vielen door zijn lichte gordijnen heen zijn woonkamer binnen, zijn gang, en zijn slaapkamer.

Nu ligt hij met de gordijnen dicht, de nieuw opgehangen verduisterende rolgordijntjes er extra voor, in de schemering, om half 3 ’s nachts, klaarwakker! De zeventiende nacht zonder slaap. Na de eerste nacht had hij meteen een melding bij de gemeente gemaakt die keurig antwoorde met een mailtje; “Bedankt voor uw melding. Wij proberen het probleem zo snel mogelijk te verhelpen. De afhandelingstermijn van uw melding is afhankelijk van het soort melding en eventuele materialen die besteld moeten worden. Als u uw contactgegevens heeft ingevuld, krijgt u van ons een bericht zodra het probleem is afgerond.” Niets meer gehoord natuurlijk.

Een rat legt na drie weken zonder slaap onherroepelijk het loodje, denk hij. Hij wil die gedachten stoppen, maar merkt dat hij steeds meer moeite heeft om zijn gedachten te controleren. Op zijn werk is hij afgeleid, humeurig, snauwerig, wisselvallig. Hij die altijd de stabiliteit zelve is, voorspelbaar in alles wat hij doet. Hij is al twee keer eerder naar huis gegaan en drie keer na de lunch, met zijn hoofd op zijn opgevouwen armen, zittend aan zijn bureau ingedut. Gedachten malen door zijn hoofd, hij draait en draait, trekt een kussen over zijn hoofd om het licht buiten te sluiten, maar krijgt het benauwd en gooit het kussen door de slaapkamer. Grommend komt hij zijn bed uit en kijkt in de spiegel waar hij een vage schim ziet. Zijn bril ligt nog op het nachtkastje. Ach wat, hij wil zichzelf helemaal niet zien, hij wil slapen.

Krabbend op zijn hoofd loopt hij de kamer uit, de trap af naar beneden. Hij schenkt zichzelf een groot glas rum in, in de hoop dat het hem helpt in slaap te vallen. Hij is geen drinker, maar tot zijn schrik ziet hij dat de fles al bijna leeg is, de fles die al maanden meer dan halfvol in zijn kast stond. Hij neemt het halflege glas mee naar boven, stapt weer in zijn bed, gooit de rum in een grote slok in zijn keel en bedwingt de tranen in zijn ogen. Hij kan wel huilen! Hij wil alleen maar slapen, is dat zoveel gevraagd? Op een avond stond hij met één van zijn stenen schaakstukken in zijn hand voor het open slaperkamerraam. Hij had bijna gegooid, maar bedacht zich dat de lamp dan gewoon weer vervangen zou worden.
Enkele uren later schrikt hij wakker, hij is kennelijk uiteindelijk toch in slaap gevallen, dat is in elk geval iets. De mist in zijn hoofd lijkt wat opgetrokken, vervangen door een vaag kloppend gevoel aan de zijkant van zijn hoofd, dat dan weer wel. Tijd om zich te scheren heeft hij niet meer. Als hij zijn bril heeft opgezet en in de spiegel kijkt om zijn haren te kammen schrikt hij van de man die hem aanstaart, roodomrande ogen, een stoppelbaard, een getergde blik in zijn ogen. Snel wendt hij zijn blik af, loopt naar de kamer, pakt zijn tas van de tafel en gaat de deur uit. Inmiddels is het echt licht geworden en de gehate lantarenpaal is uit.

Zijn elektrische auto begroet hem iets verder in de straat met een piepje en knipperende lampen. Jammer dat hij geen eigen parkeerplaats heeft, gelukkig kan hij de auto altijd bij zijn werk opladen. Naast het korte ritje van zijn huis naar de High Tech Campus rijdt hij trouwens niet veel. Ondanks de lichte hoofdpijn merkt hij dat de enkele uren slaap hem goed gedaan hebben, zijn hoofd is helderder dan het in dagen geweest is. Als hij, aangekomen op zijn werk, de stekker van zijn auto inplugt springt er een klein vonkje over. In eerste instantie schrikt hij hiervan, maar dan opeens schiet er een gedachte in zijn hoofd die hem de hele dag niet meer zal loslaten. Wat heen kan, kan ook terug! Hij gaat er zowaar van glimlachen.
Met een grijns op zijn gezicht stapt hij zijn laboratorium binnen, begroet zijn collega, die hem een bezorgde blik toewerpt.
‘Nog een beetje geslapen?’
‘Een beetje.’

Hij vermoedt dat ze expres een vrouw bij hem op de kamer hebben gezet om hem wat losser te maken, wat socialer. In heb begin deed ze werkelijk haar best, veinsde interesse in zijn werk en zijn persoonlijke leven. Op dat laatste ving ze altijd bot, hij praat nu eenmaal niet graag over persoonlijke zaken. Maar goed, enkele algemeenheden over vakanties, het weer en dat soort dingen kunnen er wel af, hij heeft geleerd dat dat op prijs gesteld wordt. En eerlijk gezegd, ze is een van de weinigen die ook iets snapt van zijn werk, misschien is ze daarom wel bij hem op de kamer gezet, als vertaler naar de rest van het team zeg maar.
‘Wil je koffie? Wat heen kan, kan ook terug,’ zegt hij, weer met die grijns.
‘Wat?’
‘Als ik nu koffie voor je ga halen, dan stroomt de koffie onder uit het apparaat nietwaar?’
‘Eh, ja...’ Zijn collega bijt vertwijfeld op haar rood gestifte lip, niet snappend waar hij heen wil.
‘Maar stel dat we de zwaartekracht om zouden keren, dan zou de koffie de andere kant op stromen nietwaar?’
‘Ja, inderdaad.’ Haar gezicht klaart op, aan dit soort gedachtenoefeningen van hem is ze wel gewend.
‘Hebben we nog van die nano processoren hier? Die van ons vorige project.’
‘Ik denk het wel, waarvoor?’
‘Dat leg ik je zo uit, eerst koffie halen. We gaan samen iets geweldigs doen!’
Ze glimlacht vriendelijk naar hem, waarschijnlijk denkt ze aan de bonus die ze zal ontvangen als het haar gaat lukken om hem echt te laten samenwerken. Maakt niet uit, hij heeft haar nodig voor dit project, ze is een goede programmeur.

Tot zijn stomme verbazing is hij de rest van de dag goed gehumeurd. De hoofdpijn is weggetrokken en hij merkt dat hij het zowaar prettig vindt zijn collega in zijn gedachtegang te betrekken. Het feit dat wat ze hier aan het doen zijn eigenlijk illegaal is, lijkt haar extra enthousiast te maken. Vreemd, hij weet eigenlijk helemaal niet zo veel van haar. Misschien moet hij toch iets persoonlijker worden en haar ook eens iets anders vragen dan of ze koffie of thee wil en of het raam open of dicht moet. Om vier uur ’s middags kijkt ze hem stralend aan en zegt, ‘Dit zou het moeten doen, wil je het nog testen?’
‘Nee, dat zou het riskanter maken.’
‘Dus vanavond?’
‘Ja, vanavond,’ zegt hij, ‘dan moet het gebeuren.’
Bijna omhelst hij haar als hij weg gaat, maar dat zou te ver gaan. Hij steekt zijn duim op en glimlacht naar haar.
‘Staat je trouwens best goed, die stoppelbaard, zou je vaker moeten doen!’ roept ze hem na.

Tevreden loopt hij over het terrein naar zijn auto. Het loshalen van de stekker kost wat meer tijd dan gewoonlijk. Zachtjes mompelt hij enkele woorden, alsof hij een bezwering loslaat. Niet dat hij daar in gelooft, maar toch. Ondertussen stuurt hij het kleine stukje techniek waar ze de hele dag samen aan hebben gewerkt het elektriciteitsnet in. Het begint al een beetje te schemeren als hij aansluit bij de file op de N2. De lantarenpalen zijn aan als hij zijn straat inrijdt, even fel schijnend als de afgelopen nachten. Hij parkeert zijn auto, loopt naar zijn huis en steekt zijn sleutel in het slot. Op dat moment dimmen alle lantarens in zijn straat naar een zacht gouden schijnsel.

Perfecte timing, denkt hij, en stapt tevreden zijn huis binnen. Vanavond zal hij slapen, het kleine wonder van techniek heeft zijn werk gedaan. Wat heen kan, kan ook terug, gewoon een kwestie van goed gericht programmeerwerk, en een beetje inventiviteit. Hij voelt een golf van enthousiasme door hem heen spoelen. Als dit werkt, wat kan er dan nog meer? Beelden van onbegrensde mogelijkheden tuimelen door zijn hoofd. Morgen mijn collega maar eens uitnodigen voor wat meer schemerig werk, denkt hij, ze schijnt er van te houden. Kort daarna valt hij, in het gouden licht van de straatlantaren, op zijn bank in slaap. De gordijnen zijn nog open.

Saturday, 22 July 2017

Drumbeat

Remember my story Taurus? It never really stopped talking to me. So here is a follow-up on that story, also inspired by two pictures I found on the internet.

Sorry, couldn't find the artists name for this one.

The drumbeat keeps going on, there is no way to shut it out. I know it’s not really there, it is just the beating of my heart. I want it to stop. I’m hiding, yes me, hiding. The big hideous monster of the labyrinth is hiding. I don’t want to see their faces anymore, the young people who remind me of better days, days when the sun was shining and I was running and playing in the fields. I guess the sun is still out there, I haven’t seen it for years. There is some light coming from above here, in the higher tunnels, that’s one of the reasons I like to sit here, hide here, at least a little bit of light, shining on my pale skin. I look at the shadows of my hands, falling on my feet. I look so human, every part of my body, as far as I can see, is human and yet they all call me a monster. Is it my unnatural pale skin that frightens them? I tend to forget what I really look like, I haven’t seen my reflection for such a long time. Sometimes I see it in their eyes, wide spread with terror.

And what do I see on those occasions? Two dark brown eyes with big lashes, curly hair on the top of my head, big wide ears, a long nose. Maybe not the prettiest face. It is not that what scares them, it's not even my nostrils and my horns next to my ears. My bulls head is gentle enough. It is the abnormality of my appearance, it is what I am, an abomination of nature, half human, half bull. And the tales, of course, the tales. According to the tales, I am a cruel man-eating monster. Mothers tell their children, be good or the king will send you to the labyrinth to be eaten by the monster. By me, who has been a vegetarian all my life! Although my stomach is human and can process meat, my teeth are not made for it! I like to eat my vegetables raw, chew on them for minutes.

The beat grows louder, I am afraid. The beat becomes faster. It is not my own heartbeat anymore. I really want it to stop. I don’t want to be confronted with the youngster anymore, not with my memories. And not with my hunger! There is some water dripping from the walls, I lick it up, it saves me from dehydration. But the hunger, nothing to eat! Nothing grows in these dark tunnels. The rumbling of my stomach mingles with the beating of the drums, both getting louder. They are getting closer, why did they bring drums? Hoping to scare me off? They must have seen the bones, the remains of the others. I don’t want to eat any of them anymore, it disgusts me, chewing on their flesh for minutes, making it even harder to swallow. But it is the only food I get, the only way of surviving.

I stare at my hands and feet, so much like theirs. No, I cannot do it another time, eat the same hands, the same feet. I am human! I am not a monster, I have never been a monster, they made me that! I’ll just stay here, hiding. Hoping they won’t find me. They’ll be damned anyway, no one finds their way out of the labyrinth. But it won’t be me this time, I’m done with it. Starvation is just another way of suicide, the only way of suicide in this godforsaken labyrinth. The drum is fading, it is just my heartbeat again, slowly dying. 


Picture: At the end of the Labyrinth by Ivan Kap